Enkele scholen

De Binpara lagere school.

Onze fraterniteit in Mymensingh is naast de Brahmaputra, een van de heilige rivieren van de Hindoes. De Brahmaputra komt uit de hoogten van het Himalaya gebergte. Aan de overzijde beginnen de dorpen met de bamboehuizen en rijstvelden. De eerste dorpen, dicht bij de rivier lopen jaarlijks onder water. Soms wel van juni tot september. De mensen zijn er arm en de meesten werken in de stad Mymensingh als koelies of  als rickshaw-wallahs ( dat zijn mensen die een rickshaw voortpeddelen). De vrouwen werken soms in de huizen van de middenklasse gezinnen; dit  voor een hongerloon.

In één van deze dorpen , in Binpara, begonnen we ons eerste schooltje in 1988. Het dorpje telde veel Hindoegezinnen. En er was veel ruzie en misbruik van sterke drank. Anderen waren verslaafd aan het gokken en kaartspelen.

We begonnen met een klein gebouw van bamboe met een golfplaten dak. Aarzelend begonnen de eerste kinderen te komen. In het begin moest de onderwijzer elke morgen de kinderen ophalen en de ouders aansporen om de kinderen te sturen. Men kwam de ene dag en bleef de andere weer thuis. Toen het eerste groepje kinderen overging, was de strijd gewonnen. Meer kinderen kwamen naar school en genoten ervan. Ze leerden nieuwe spelletjes, mochten in de fraterniteit komen voor wedstrijden in het zingen ( wat ze goed deden) of het opzeggen van rijmpjes. Langzaam aan gingen de ouders meedoen. Ze kwamen voor bijeenkomsten, leerden te sparen( wij bewaarden het spaargeld voor ze) en er kwam een klas voor grotere meisjes en vrouwen. Zij leerden borduren en kleding verstellen. De klas werd geleid door een vrouw uit het dorp zelf. Deze klas hielp de school tot haar/hun eigen school te maken.

Dit jaar telt de school 350 leerlingen uit de grote omgeving; Hindoes en Moslims. Beide godsdiensten worden onderwezen. Een groep van 10 leerkrachten, Christenen, Hindoes en Moslims animeert de school. Daar de school dicht bij de stad is, is het doorleren geen probleem. Men komt gemakkelijk de rivier over nu om naar de highschool te gaan in de stad en zelfs naar de middelbare school (college). Dank zij uw giften kan deze school draaien. Ook dragen de ouders hier elk jaar meer bij voor de aanschaf van boeken enz. De grote vraag bij de scholen van Binpara en Barovila is: zal er spoedig een tijd komen waarin de regering zal helpen bij het onderwijs aan de allerarmsten?

De Mohammed Abdul Aziz lagere school.

Toen broeder Guillaume en ik in 1987 ons in Mymensingh vestigden, naast een in verval geraakt Anglicaans kerkje, was de tuin rond het kerkje een wildernis. De bomen uit de Engelse tijd hadden, nadat de Engelsen in 1947 het gebied verlieten, vrij spel gehad. Daarom was er in 1987 ,toen we nog op hout moesten koken, brandhout in overvloed.

Een al bejaarde man, die we “oom” noemden, “cha-cha” in het Bengaals, kwam ons helpen hout te kappen. En vanaf die tijd begon met hem een lange vriendschap. Hij loopt nu gebogen, maar komt nog wekelijks langs vanuit Barovila, ongeveer 5 km van de fraterniteit. Er is steeds veel te praten, bij een kop thee. En hij zal ons steeds bij het weggaan zeggen, hoe hij elke avond bidt voor ons, als hij zijn “namez” ( avondgebed) thuis zegt. En wij bidden voor hem. Hij vertelt mij uit de Koran en ik vertel hem over Jezus. En als we elkaar omarmen bij het weggaan zal hij steevast tegen mij zeggen: Allah en God zeggen aan jou en mij hetzelfde: “Heb elkaar lief, help elkaar, leef in vrede samen”.

 In het dorpje Barovila waar de cha-cha en zijn gezin wonen begonnen we in 1990 een schooltje. De eigenlijke naam van de cha-cha is Mohammed Abdul Aziz en naar hem noemden we deze school.

In 1990 was het dorp een achtergebleven hoek. Niemand ging naar school. Men was achterdochtig, bijgelovig en huiverig voor een contact met Christenen. De eerste jaren waren dan ook moeilijk. Sommige mannen riepen slogans tegen het schooltje en tegen de cha-cha. En toen de Golf oorlog uitbrak riep men tegen de cha-cha” “Je bent een handlanger van Bush.” Ik probeerde er steeds weer op te wijzen hoe Jezus niet terug dreigde, geen wraak nam, toen men tegen Hem inging. En zo leefden we samen door deze eerste , wat rumoerige jaren van deze lagere school.

In 2002 is dit schooltje uitgegroeid tot een bloeiende school met 300 leerlingen. De klassen 1-5, met 5 leerkrachten (Moslims en Christenen) lopen goed. Een grote groep kleuters komt elk jaar voor 6 maanden zich voorbereiden op de eerste klas. Om zoveel mogelijk het doorleren in een regerings- Highschool  te stimuleren, helpen we de armste kinderen met 100 taka per maand (= $2 ). Dit voor de aanschaf van schriften, pennen, boeken…

De mensen zijn dankbaar voor deze ontwikkeling   en de cha-cha werd lang toegejuicht toen we het 10-jarig bestaan van de school aankondigden en met een groot naambord toonden  dat deze school voortaan zijn naam zou dragen.

Langzaam groeit onder de mensen het begrip dat, hoe arm dan ook, allen naar kunnen moeten bijdragen aan het voortbestaan van de school. Elk jaar, al meer dan 10 jaar nu, komt ongeveer $ 2000 van een gemeente in Tokorozawa, in Japan. De rest komt uit Nederland, van u allen, en nu ook van de mensen zelf . Zo brengt deze school veel, veel goeds en allen zijn daar dankbaar voor.

De Rajzajeshari Devi lagere school.

Langs de rivier, op 10 minuten lopen afstand van ons huis, is een kleine slum. De stadsafvaldienst bracht daar jaren geleden het stadsvuil. Nu staan er op deze oude vuilnishoop een 50-tal hutjes. Bijna allemaal piepklein; je kunt er niet rechtop in staan.

Sommigen van de mensen hier leidden vroeger een nomadenbestaan . Ze woonden op een boot en gingen de markten af. Daar verkochten ze vaak goedkope sieraden voor vrouwen en meisjes: van glas gemaakte armbanden en glinsterende kettingen en oorbellen.

Nu de tijden veranderen,proberen velen zich ergens te vestigen. Vaak in  een slum bij een rivier. De vrouwen werken in huizen ; ze doen de was of maken het huis schoon . Daarvoor krijgen ze nauwelijks geld, maar wel een paar maaltijden per dag. De man verdient ook iets en zo redt men zich.

Voor de kinderen van deze slum openden we dit kleine schooltje. Er zijn maar 2 klassen. In de morgen komt een groepje kinderen en in de middag een tweede groep. Een paar oudere kinderen gaan naar de klassen 3,4 en 5 in een school van de regering, iets verderweg. Voor hen kan dat, maar voor de kleine kinderen is het te ver en te gevaarlijk. In de klassen  zitten zo’n 60 kinderen. Misschien  leren ze niet veel . Maar de aanwezigheid van een schooltje helpt de gezinnen zich langzaam in te voegen in de maatschappij en verhoogt hun gevoel van eigenwaarde. Ze weten dat ze meetellen en niet, zoals vroeger toen ze nomaden waren, met de nek aangekeken worden. Ze zijn arm , maar dat zijn de meeste mensen hier.

Net als in alle andere scholen, zijn ook hier 2 jonge mensen als leerkracht aangesteld. In alle scholen zijn deze jongeren vaak nog studenten, die met het geld dat ze verdienen ( 1000 taka per maand = ongeveer $ 18) hun studie proberen af te maken. Aan het begin van het jaar krijgen ze allemaal  een training . Die wordt elke maand herhaald. Het kleine  - of grote?- wonder is, dat deze jongeren , die vaak goed gemotiveerd de kinderen onderwijzen, een beter resultaat halen dan de getrainde onderwijzers/essen in de regeringscholen.

De Jagorini lagere school.

Toen in 1947 de Engelsen  vertrokken en het grote India werd opgesplitst,zijn geleidelijk  vele Hindoes verhuisd naar wat nu India is.  Vele zeer arme gezinnen bleven en ook een handvol zeer rijke mensen.

Onder de mensen die bleven zijn o.a. de straatvegers en de toilettenschoonmakers; door Maahtma Gandhi de “Harijans “genoemd : “Kinderen van God” . Het uiterst ingewikkelde kastensysteem in het Hindoeïsme, dat ook tegenwoordig nog zeer levend is, heeft zelfs de Harijans (die  vóór de  tijd van Gandhi “outcasts” genoemd werden , of “pariahs”) onderverdeeld. Eén zo’n groep is de Dom’s ; die dode beesten opruimen bijv. en lijken begraven vanuit ziekenhuizen.

In Mymensingh, niet ver van de fraterniteit is een wijkje waarin deze mensen wonen. Het is er vuil en de mensen zijn de halve tijd dronken. Van opvoeding van de “vele” kinderen voor een ander soort leven komt niets terecht. En niemand ging er naar school. Sociaal staan ze onderaan de ladder.

In dit wijkje  zijn we dit jaar 2002, een klein schooltje begonnen. De Nederlandse Ambassade gaf wat geld voor de bouw daarvan; ongeveer $200. Het is een kleine ruimte van bamboe, met een golfplaten dak.  Met een klein groepje jongeren maakten we eerst de buurt schoon en er kwamen in het begin zo’n 60 kinderen. Langzaam begon men te wennen aan het naar school gaan. Ook nu nog is het moeilijk de kinderen te houden. Ze worden eerst opgetrommeld; maar dronken ouders halen soms de kinderen weer weg uit school. Dit in een vlaag van zich verzetten tegen alle verandering in hun kleine wereldje.

Twee jongens gaan er elke dag heen. Meisjes kunnen het in zo’n buurt niet redden. Ze brengen regelmatig de ouders bijeen ( voor zover ze willen komen) en ook hier zal het kleine schooltje langzaam maar zeker een plaats van verandering zijn. Ten goede, hopen we.

Sjironi Biddapith lagere school.

Het aantal kinderen dat in de grote steden op straat leeft, kan door niemand worden geschat. Je ziet ze overal: overdag bedelend, kleine klusjes opknappend en stelend . ‘s Avonds liggen ze opgerold in hoekjes op de stations en in portieken. Velen zijn met hun moeder. Die hadden  vaak geen andere keus dan op straat te leven nadat haar man haar had verstoten; meer kinderen nog staan op zichzelf. Sinds meer dan 10 jaar komen vele van deze kinderen die op het station van Mymensingh leven , op woensdag bij ons aan huis.Vaak zijn ze met een 50-tal, soms zijn er wel meer dan 70. Ze spelen, tekenen en vechten met elkaar.En aan ‘t einde van de morgens is er een  gemeenschappelijke bad in de rivier. Daarna eten we samen: rijst , groente en een gekookt ei.

Voor de kinderen begonnen we in 1992 een schooltje naast het station. Voor die tijd hadden anderen al een ruimte voor arme kinderen geopend. Deze kamers werden ons gegeven en waren het begin van een klein schooltje.

Ook daar, net als elders, moesten de leerkrachten de kinderen optrommelen. Ze speelden op de perrons of sliepen in lege goederenwagons. Anderen verkochten sigaretten aan de reizigers of op hete dagen een glas water.

Langzaam vormde zich toch een groepje dat regelmatig naar school kwam. Ze leerden lezen en schrijven en het schooltje werd een plaats voor deze straatkinderen waar ze terecht konden bij ziekte; bij problemen met de politie of wanneer ze het niet meer aan konden.

In de klassen leerden een honderd kinderen lezen en schrijven. De lagere klassen lopen goed, maar de meeste kinderen geven het op iets te  leren na klas 3...

Een station is een doorgangsplaats, ook voor deze kinderen. De band met de fraterniteit waar ze steeds terecht kunnen, en die met het schooltje, hielp een aantal tot een zeker stabiliteit. Dit zijn nu opgegroeide mensen; sommigen trouwden en kregen een baantje. Met anderen blijft het tobben. En alleen een houding van “steeds weer opnieuw ze welkom te heten” houdt de band van solidariteit met hen levend.

Broeder Frank.